Help! Mijn engelbewaarder wil met brugpensioen 

De koplampen werpen cilindrische bundels licht voor ons uit op het pikzwarte asfalt van de A2 richting Brussel. Vaag zie ik het landschap en de fabrieken langs mij heen schieten. Er is weinig verkeer. We hebben geen last van files. Ik heb deze weg al wel duizend maal afgelegd. Indertijd als muziekjournalist voor Het Belang van Limburg en Backstage Muziekmagazine op weg naar weer een interview in het obligate Brussel of een van de honderden concerten die ik heb mogen verslaan in Vorst Nationaal in Brussel, De Vooruit in Gent, de Manhattan of Het Stuc in Leuven of de Brielpoort in Deinze. En later naar klanten van mijn communicatiebureautje Consulting Media voor weer een vergadering, een interview of een fotoshoot. Maar dat was nagenoeg altijd overdag. Nu is het avond en ga ik niet naar een interview of meeting met een klant. Ik ben op weg naar het UZ Gasthuisberg in Leuven waar men binnen enkele uren mijn door cirrose en kanker geteisterde en falende lever zal vervangen door een donorlever. Allerlei dingen spoken door mijn hoofd. Zal ik het overleven? De kans is groot. Van wie is de lever die men dadelijk bij mij zal inplanten? Hoe stierf hij? Hoe oud was hij? Had hij nog een heel leven voor zich? Of was hij op een leeftijd dat hij de laatste seconden van zijn leven voor zichzelf uitmaakte dat het misschien te kort maar toch zinvol gevuld en prettig geweest was?

Ik stop met mijmeren. Ik ban die gedachten uit mijn hoofd. Ik koop er immers niets mee. Degene wiens lever ik krijg ook niet. Ik zal hem later, na mijn mogelijk herstel, nog wel gedenken in mijn gedachten. Per slot van rekening loop ik dan met een deel van hem rond.

Ik kijk naar buiten en zie het zo vertrouwde, maar intussen grijs ogend landschap naast de A2 voorbij schieten. Ik zie de afritten naar Diest, Aarschot, Haacht, Winksele … Allemaal roepen ze wel ergens herinneringen op. Aan het werk, aan een concert dat we met de band begin jaren 80 in de buurt speelden, aan de Rock Werchters waar we ons tegoed deden aan rock & roll en aan bier, aan korte vakanties die we in de streek genoten hebben … Allemaal in een tijd dat we dachten dat niets ons kon deren, dat we immuun waren voor leed en zorgen, met een mentaliteit van: “Doe ons maar eens iets!” Nu, twintig tot dertig jaar later is het besef gekomen dat ieder huisje wel ergens zijn kruisje heeft en dat het leven vrij weinig voorstelt. De ene dag blaak je nog van de gezondheid, de volgende ben je een probleemgeval voor dokters en specialisten. Ik bedenk hoe snel het kan gaan. En hoe lang het sukkelen kan duren. Anderhalf jaar krijgen we nu al het ene probleem na het andere voorgeschoteld. Dramatiek, tragiek en tranen zijn ons deel geworden. Ouder worden is niet zo plezant als men ons in de reclame voorliegt. Af en toe is het gewoonweg kut! Op mijn zesenvijftigste heb ik al te veel vrienden en kennissen zien sterven. Zelf heb ik ook niet bepaald het plezantste jaar achter de rug. Gelukkig ben ik gezegend met een vrij optimistische natuur en kan ik een en ander wel plaatsen. Maar af en toe kost dat toch wel moeite. En als ik denk aan hoe Josie, mijn vrouw, dit alles ondergaat, dan schiet er een steek door mijn hart. Zij beleeft dit een stuk intenser dan ik omdat ik af en toe compleet van de wereld ben en op zware momenten in het ziekenhuis lig. Zij is gelukkig een sterke vrouw, maar ik weet niet hoeveel rek er nog in haar elastiek zit. Ik hoop van voldoende, want als zij het laat afweten, ben ik een grote sukkel. Daar ben ik me de afgelopen maanden zéér bewust van geworden.

Nog tien kilometer en dan zijn we er. We hoeven ons niet aan te dienen, we moeten rechtstreeks naar de mij zo vertrouwde afdeling 445 waar we verwacht en onmiddellijk geholpen worden. Ik heb het hier anders meegemaakt. Zeker wanneer ik op de spoed binnengebracht werd. Vijf tot zes uur wachten vooraleer ik vanuit de spoed op mijn kamer terecht kon, was geen uitzondering. Ik kan je verzekeren dat een uur dan lang duurt. Heimelijk hoop ik dat ze mij niet herkennen op de Spoed. Ik heb hier de laatste keer nogal wat stampij gemaakt. Niet dat ik me daar ook maar iets van herinner want ik had weer een aanval van extreme verwardheid, te wijten aan een ammoniakvergiftiging. De zoveelste. Dan weet ik niet meer wát ik allemaal uitspook. Net alsof Mr. Hyde het overneemt van dr. Jeckyll. Maar hoe dan ook is het vervelend als je zodanig ambetant doet dat ze je aan je bed moeten binden. Of wanneer je in het verslag van de dokter leest: “De patiënt was verbaal zeer agressief en verzette zich tegenover het verplegend personeel.” En daar zit je vrouw dan – weerloos - op te kijken!

Dat is trouwens één van de dingen die men je hier leert: geduld! Maar dat zal deze keer niet het geval zijn. De tijd dringt. We hebben maar twaalf uur vooraleer de lever niet meer bruikbaar is. Mijn grootste schrik op dit moment is dat de lever die ze voor mij klaar houden, alsnog afgekeurd wordt. Het transplantatiesysteem steekt ingenieus in mekaar, maar als je eindelijk opgeroepen wordt, is het nog niet zeker dat je ook daadwerkelijk getransplanteerd wordt. Het transplantatieteam had het mij máánden geleden al uitgelegd en ook aan de telefoon had men mij nog eens verwittigd: de uitgebreide gegevens van alle patiënten die een nieuw orgaan nodig hebben worden in de centrale databank van Eurotransplant in Leiden ingevoerd. Wanneer een donororgaan vrijkomt, wordt dat vergeleken met de patiënt die het dringendst aan zo’n orgaan toe is. Die patiënt, die dag en nacht bereikbaar moet zijn, wordt ingeval van een goede ‘match’ telefonisch verwittigd en moet onmiddellijk vertrekken. Geen valies maken, niet meer douchen, niet aankleden: vertrékken. Onderweg wordt de lever aan diverse onderzoeken onderworpen om te kijken of ze inderdaad écht geschikt is. En eenmaal in het ziekenhuis bekijkt de chirurg het orgaan nog eens met argusogen. Hij, en hij alleen, is degene die de finale go geeft of de lever alsnog afkeurt. Intussen is men jou aan het klaarmaken: je wordt van kop tot teen geschoren, je krijgt een lavement, moet gaan douchen en wordt gedesinfecteerd. Allemaal dingen die je liever niet hebt maar er op zo’n moment graag bijneemt. Want je hebt maanden, sommigen zelfs járen, naar dit moment toegeleefd. Het kan een nieuw begin betekenen. Terug naar een normaal leven. Terug functioneren als een normaal werkend, sociaal geëngageerd mens. God, wat heb ik dat sociale leven gemist. Het vergaderen met de verenigingen waar ik voorzitter van was of nog ben, het gevoel van hard aan de kar te trekken, de inzet voor bepaalde activiteiten. Ik was nooit een mens om stil te zitten, maar heb het laatste anderhalf jaar meer stilgezeten, gerust, op de zetel gelegen, teevee gekeken en geslapen dan tevoren in mijn hele leven. Niet dat ik dat drukke leven volledig opnieuw ga opnemen. Daarvoor heb ik iets anders in de plaats ontdekt: de geborgenheid en het geluk van een huiselijk leven. Maar iets meer dan nu mag toch. Als ik het overleef. De vraag blijft door mijn hoofd spoken.

Het is al bij al nog snel gegaan. Eind december hebben ze mij wegens levercirrose en leverkanker op de transplantatielijst gezet met de boodschap dat het tot een jaar of langer zou kunnen duren vooraleer ik aan de beurt zou zijn. Het is nu begin mei. Ik besef het nog altijd niet goed. Het lijkt te mooi om waar te zijn. Normaal had ik me vandaag over acht dagen moeten melden in Leuven voor een controleopname. Ik had vanmiddag nog naar het UZ gebeld met de vraag om mij op mijn gsm te bellen indien die opname om een of andere reden zoals overbezetting, niet zou kunnen doorgaan. We zouden immers enkele dagen naar Namen op vakantie gaan. Het was geen enkel probleem. Tien minuten later ging de huistelefoon over met het bericht dat ik mij om negen uur die avond in het UZ op afdeling 445 moest aanbieden. Er was een lever voor mij onderweg.

UA-100687733-1